Midsummer night

Een beeld kan niet zwijgen.
Ik buig me over de grens van wat gezegd kan worden
aangezien een beeld kan tonen wat grenzeloos is.
De delen van het beeld maken mij tot deelnemer.
Het materiaal opent haar geschiedenis en ik kan er door heen reizen.
Het laat vrij spel aan wat ik me kan voorstellen.
Er is een versmelting van een uiterlijke en een innerlijke werkelijkheid.
Ik zie de betrekkingen van de delen tot het geheel.
Zoals de lampion zich openvouwt en de nacht verlicht zo
vouwt zich het geheel open en kan ik haar gestalte zien.
Hoe alles samenkomt is het vruchtbare moment.
En het reikt verder dan het toevallige bijeenkomen 
van de ingrediënten paraplu, naaimachine en snijtafel, zoals Breton 
de absurditeit van het visuele spel benoemde.
Het raakt aan de noodzaak om inzicht over een ervaring te verkrijgen.
Om de neurotransmitters van het geheugen op te jagen,
om het voor altijd opnieuw te laten gebeuren.
De midsummernight-figuur richt zich op.
Het feest van worden kan en wil niet in een geschiedenis-kist bewaard blijven.
Ieder bewaard ding is onmisbaar in het uurwerk van de gebeurtenis,
en spint mede de draden waardoor het kan incarneren in dat zonnige gezicht.
Zo waagt de herinnering de sprong, wordt een transsubstantiatie, 
en de betovering van het kind kan voor altijd levend aanwezig blijven.
Het beeld brengt het kind in mij in beweging.
Emotie is afgeleid van het Latijnse ẽmovere,’beroeren, opschudden, ontroeren’,
waarvan de wortel movēre, ‘bewegen, in beweging brengen’ is.
Het is als de glans op het beweeglijke draadwerk boven de kist 
die culmineert in de ‘windroos’, dat wat weerspiegelt wat we kosmos noemen
en in verbinding staat met alles:
met de vijf fases van de geometrische groeiwijze,
met de gammele takken-poten die de kist dragen en het tot altaar maken,
met het argeloos gescheurde briefje waarop de vluchtig geschreven woorden:
‘Vatti, spullen, kelder’ en die mij zeggen: ‘Vati, Vati, verlaat mij niet’,
met het oude stof van thuis in de gebroken bezem aan de voet van een poot,
met de oneindige uitgestrekte hemel,  jubelend van lichtende lampionnen 
en driehoekige vlaggetjes: geel, wit en donkergroen,
met de drie wit gekalkte melkpakken die nu als bootjes 
steeds verder weg  zullen varen vanuit die midsummernight kindertijd.
Op weg naar nieuwe ontmoetingen om aan elkaar te ontwaken.
Al de contrasten van kleur en materiaal  benadrukken de onbevangen houding.
Het louterende maakproces intensiveert en transformeert die vroege ervaring.
Concreet verschijnt het beeld, en tegelijk is het zinnebeeldig.
De subjectieve ervaring komt tot een nieuwe klaarheid.
Intuïtieve handeling en spel tonen al wat je niet bedenken kan.
Ik kijk omhoog, intimiteit wordt zichtbaar,  
het aangezicht gloort. 
Een permanente uitnodiging tot erbij zijn, tot aanwezig zijn.
Kan ik haar werkelijk zien? 
Is ze de muze van de dichter met haar wellustig rode mond
en haar grote aan het licht geboren ogen?
Ik zie haar glimlach en begrijp: Alles is opstanding in de natuur.
Ik zie hoe de draden zijn verweven, hoe ze het spoor van de gelaatslijnen volgen,
hoe ze het gezicht vormen en het voorwaarts stuwen.
Dan verschijnt het meest innerlijke en verborgene van het kind
dat nooit voorbij gaat hier aan de oppervlakte.
Een gezicht dat reikt aan de grens van een beeldend denken.
Een masker dat haar ware gezicht niet kan verbergen.
De weefselstructuur van het masker benadrukt haar lokkende verlangen,
brengt verdubbelt wat het wil bedekken aan het licht.
Al wat van ieder kind het zonlicht in haar bestaan is: 
kwetsbaarheid, onbevangenheid, vitaliteit, lust.
Haar Archaïsch gezicht lijkt zich, als Eos, godin van de dageraad,
met haar stralende kleur, brutaal vrolijk te maken over die constante vraag 
van de mens: wie zijn wij?
De blik naar buiten en de blik naar binnen.
Ruimte en tijd zijn hier verknoopt en maken de sculptuur tot een performance, tot een ritueel.
De draden en het glanzend metaal zijn een  metafoor voor het netwerk van de herinnering.
Ze vormen de lier waarin we de klank van de herinnering kunnen horen.
In deze midsummernight wordt iets essentieels zichtbaar van de herinnering.
In die blik  van het masker herken ik de bode  van iets waartoe  ik geen directe toegang  heb. 
Het is dat wat mij op mijzelf betrekt; een souvenir ‘involontaire’.
Het is al datgene waarin we als kind leefden en waaruit we voortgekomen zijn.
De sculptuur is een concreet voorbeeld van metonymia;
de lampions en de vlaggetjes bevonden zich werkelijk in de buurt van het gebeuren. 
En via hen maken we die sprong in de tijd.
Nu zie ik opnieuw het masker als het gezicht van Mnemosyne, 
personificatie van de herinnering, moeder van de negen muzen.
Haar blik naar buiten valt samen met haar blik naar binnen.
Ze opent de werking van een herinnering,
in een hier en nu en steeds opnieuw wordend.
Tussen al het denkbare bevindt zich het zichtbare.
En plotseling begrijp ik de sculptuur als Delphisch orakel.
Ze is een kritische stellingname tegen alles wat ons steeds wil bezetten.
De chaos van de crisis, wond in meervoud.
De uithollende golf van meningen in de digitale verstarring,
de overrompelde verlorenheid van het gemeenschappelijke.
Steeds verder raken we verwijderd van een kindertijd waarin solidariteit en rechtvaardigheid ons nog verbonden in betekenisgeving. 
Maar dit weefsel gezicht van Mnemosyne wil ons behoeden. 
In haar stem kunnen we nog de existentiële aandacht voor details horen.
Voor wat de fysieke en emotionele nabijheid van het kind ons leert.
Een thuis zijn en je eigen midsummernight zien.
Het midsummernight gezicht.

Kars Pesoon, juni 2024